Steun ons en help Nederland vooruit

De gemeente en de kwaliteit van zorg

Waarde van verdrag   

In het gesprek met Marietje Schaake kwam duidelijk naar voren dat de waarde van een verdrag over kwaliteitsstandaarden beperkt is. Allereerst zou men in Europa dan tot een formulering moeten komen waarin alle landen zich kunnen vinden. Veel Oost-Europese landen hebben nog een heel andere werkwijze in de jeugdzorg. Ik bezocht twee jaar geleden een jeugdzorginstelling in Roemenië en zag daar weinig respect voor het individu. Een gemiddelde van gewenste kwaliteitsstandaarden in Europa zou tot een verschraling leiden voor de landen die hier al verder mee zijn. Bovendien wordt een verdrag niet automatisch uitgevoerd. Elk land moet dit verwerken in wet- en regelgeving. Natuurlijk ondersteunt een verdrag de werking van kwaliteitsstandaarden, maar de kracht van ontwikkeling vanuit het werkveld is vele malen sterker. Ik kom daar straks vanuit een ander perspectief op terug.

Context huidige kwaliteitsontwikkeling

Als we kijken naar de feitelijke situatie waarin deze kwaliteitsontwikkeling plaatsvindt dan zien wij verschillende ontwikkelingen die veelal samenhangen.

Er is een grote handelingsverlegenheid bij ouders en leerkrachten. De Nederlandse jeugd is gezond en gelukkig vergeleken met veel andere Europese landen. Toch zijn wij koploper in Europa als het gaat om kinderen die therapie volgen, gediagnosticeerd worden en andere interventies krijgen.

Kennelijk worden kleine problemen niet meer thuis of op school opgelost en wordt elk (tijdelijk) afwijkend gedrag geproblematiseerd. Wij zien daardoor een groei in specialistische hulp. Waar in zorgteams rondom scholen en eerste lijnszorg al aardig wordt samengewerkt,  ontstaat er direct stagnatie in de hulpverlening als bureau Jeugdzorg wordt ingeschakeld omdat indiceren lang op zich laat wachten. Daarnaast zijn er ook wachtlijsten in de 2e lijnszorg van meer dan anderhalf jaar in onze regio. Door het verschillende bekostigingsmodel van 1e en 2e lijns zorg (lokaal resp. provinciaal) is samenwerken vaak lastig.

En wanneer er dan eindelijk wordt ingegrepen, laat vervolgens justitie het vaak afweten.

Door het gebrek aan keuze van de aanbieders van jeugdzorg en de lange wachtlijsten is iedereen blij dat hij eindelijk aan de beurt is en is er vrijwel geen sprake van gezonde concurrentie op basis van kwaliteit. Dit is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de kwaliteitszorg.

Kortom dat er veranderingen moeten komen zal niemand verbazen.

In het nieuwe regeerakkoord staat over jeugdzorg:

“Er bestaat grote zorg over het functioneren van de jeugdzorg. De huidige manier waarop de jeugdzorg is georganiseerd en opereert zal een wezenlijke verandering moeten ondergaan. De effectiviteit van de jeugdzorg moet worden verbeterd door een stelselherziening. Het kabinet zal hiertoe de volgende maatregelen nemen:

19.       Er moet een financieringssysteem komen voor het huidige preventieve beleid, de huidige vrijwillige provinciale jeugdzorg, de jeugd LVG(licht verstandelijke  gehandicapten) en jeugd-ggz.

20.       In lijn met het advies van de Parlementaire Werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg, worden gefaseerd alle taken op het gebied van jeugdzorg overgeheveld naar de gemeenten. Het betreft hier jeugd-ggz (zowel AWBZ als Zorgverzekeringswet), provinciale jeugdzorg, gesloten jeugdzorg, jeugdreclassering, jeugdbescherming en licht verstandelijke gehandicapte jeugd. Preventie en vrijwillige hulpverlening wordt in goede afstemming met gedwongen hulpverlening georganiseerd door (samenwerkende) gemeenten.

21.       De Centra voor Jeugd en Gezin die inmiddels gerealiseerd zijn, zullen bij de overheveling naar de (samenwerkende) gemeenten gaan dienen als front-office voor alle jeugdzorg van de gemeenten”.

Los daarvan zijn er ook bezuinigingen aangekondigd omdat gemeenten deze taken efficiënter zouden kunnen uitvoeren.

De context waarin deze kwaliteitsontwikkeling moet gaan plaatsvinden is daarmee uiterst

onrustig. Een vraag die bij u ongetwijfeld ook leeft is: Verandert deze context als de jeugdzorg naar de gemeente gaat.

Ik ga me, een week na dit besluit, niet wagen aan een weloverwogen oordeel.  Maar ik wil u wel deelgenoot maken van hoe ik al ik als (D66) wethouder tegen kwaliteit van zorg aan kijk en vanuit welke ervaring van de afgelopen jaren met decentralisatie van zorgtaken in combinatie met bezuinigingen ik de jeugdzorg zal benaderen.

Eerste ervaringen met CJG

Zoals veel gemeenten hebben wij het accent gelegd bij preventie en de zorg rondom het gezin.

Wij hebben er niet voor gekozen alles drastisch te wijzigen en bieden in vier van de zeven dorpen laagdrempelige hulp aan. De reeds bestaande zorgnetwerken in 5 dorpen, meldpunten, actieteams, opvoedingsondersteuning en maatschappelijke werk en de traditionele jeugdgezondheidszorg werken langzaam steeds beter samen.

Jeugdzorg zit op veilige afstand. Niet zichtbaar voor ouders en kinderen maar op afroep schuiven zij aan. In deze fase van prioriteit voor een breder (laagdrempelig) bereik van het CJG bij ouders een acceptabele oplossing. Onze Centra voor Jeugd en Gezin zijn pas een half jaar open dus het is nog te vroeg om echt conclusies te trekken over het functioneren.

Ondanks alle nieuw protocollen en werkbeschrijvingen is er geen kwaliteitszorg zoals Q4C.  Het is van belang dat gemeenten dit, zeker met de komende nieuwe taken, snel oppakken.

Vertrouw op de eigen kracht van mensen

Een belangrijk uitgangspunt van D66 dat momenteel te pas en te onpas wordt gebruikt. In veel collegeprogramma’s worden bezuinigingen verkocht onder het mom, inwoners moet weer meer zelf doen. Coproductie, sociale verbanden, dorpsgericht werken allemaal zaken die op zich goed zijn maar er voor moeten zorgen dat gemeenten met minder geld taken kunnen uitvoeren en een sterk appel gedaan wordt op de zelfredzaamheid van inwoners. Dit jaar promoveerde Lilian Linders met een onderzoek over : De betekenis van de nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt. Een van de interessante conclusies  was dat ouderen nauwelijks meer hulp durven te vragen. De boodschap dat je je zelf zo lang mogelijk moet redden is zelfs in laaggeschoolde volksbuurten helemaal geland.

Daarnaast zien zij wij een generatie die steeds meer afhankelijk is van technische dienstverlening. De Tom-tom generatie weet zich geen raad meer als een instrument niet meer werkt. Zij zijn volkomen gedesoriënteerd als hun hulpmiddel het laat afweten. Vertrouwen op eigen kracht betekent niet dat er niets mis kan gaan.

Vertrouwen op eigen kracht lijkt voor verschillende generaties een andere betekenis te krijgen  en verschillende risico’s te bevatten.

Quality for Children zal de eigen kracht van jongeren en hun familie zeker versterken. In de zin zoals “Vertrouw op de eigen kracht van mensen” is bedoeld.  Als er transparantie is, meer respect voor een jongere in een afhankelijke positie, de direct betrokkenen regie kunnen voeren waar dat mogelijk is,  zullen mensen weer zelf keuzen maken en zich meer verantwoordelijk voelen voor die keuzes. De kans op succesvolle trajecten zal daardoor vergroten. Door professionals toe te voegen aan het vertrouwde netwerk rondom een gezin, in plaats van een kind en ouder door te verwijzen, blijft de cirkel overzichtelijk. Ook een vereenvoudiging van de  structuur van de jeugdgezondheidszorg en jeugdzorg kan bijdragen aan meer overzicht en grip op de situatie. Het is voor professionals vaak al niet te overzien, laat staan voor een kind en ouder met een probleem.

Lessen uit de Wmo, wat is de kracht van een gemeente?

Sinds de komst van de Wmo in 2007 zijn er jaarlijks taken vanuit de Awbz naar de gemeente gegaan, doorgaans met  forse bezuinigingen. Na 10 keer boos worden ga je toch weer aan de gang als wethouder om er het beste van te maken.

De achterliggende reden van de decentralisatie van zorgtaken  – omdat de problematiek en cultuur per gemeente verschilt – onderschrijf ik wel. De Couleur locale verschilt zelfs per dorp in onze gemeente. Wij hebben geen blauwdruk gemaakt voor alle dorpen maar laten samenwerkingsverbanden vanuit kerken, vluchtelingenwerk, woningcorporaties, welzijnsinstellingen welig tieren. Ook zien wij dat zorg dichtbij beter werkt. Het succes van  Buurtzorg (met kleine teams en weinig overhead zorg in de wijk leveren) heeft ons allemaal aan het denken gezet. De aandacht voor een veerkrachtige samenleving heeft zelf geleid tot het begrip sociale duurzaamheid. Elk bewuste inwoner vervult in onze gemeente wel een taak of functie in zijn buurt of dorp.

Zelfs marktwerking hoeft geen belemmering te zijn om je doelen te bereiken. Ik heb vorig jaar, volkomen legaal,  een Europese aanbesteding voor de huishoudelijke hulp zo ingericht dat ik precies kreeg wat ik voor ogen had. Wij hebben de gemeente in een zestal woonservicegebieden ingedeeld (veelal de omvang van bestaande dorpen). Het belangrijkste criterium (60% van de punten) in het bestek was de mate en kwaliteit van de lokale ketensamenwerking die de zorgaanbieder wilde realiseren. Het resultaat is enkele (kleine)  lokale aanbieders die zowel Awbz als Wmo zorg geven in kleine teams in de wijk, veelal vanuit een zorginstelling waar mensen ook kunnen eten, tijdelijk kunnen worden opgenomen, en waar dagopvang en respijtzorg worden aangeboden. Grote aanbieder hadden nauwelijks belangstelling voor onze aanbesteding. Daarnaast zijn wij ook anders gaan indiceren. Bij een eerste aanmelding volgt er altijd een huisbezoek om de volle breedte van de hulpvraag in beeld te krijgen. Maar het belangrijkste is dat de wachtlijsten zijn verdwenen (werknemers vinden het veel prettiger om bij een lokale herkenbare organisatie te werken) de tevredenheid van onze inwoners is sterk verhoogd en de vraagverlegenheid is afgenomen.

Het is natuurlijk nog onduidelijk of al deze keuzes en resultaten in de Wmo ook van toepassing zijn voor de taken die vanuit de Jeugdzorg naar de gemeente gaan. Maar de goede ervaringen met zorg dichtbij in goed samenwerkende teams zal zeker zwaar wegen in de transitie die gaat volgen.

Eerste reactie op verschuiving van jeugdzorg naar gemeenten

De verschuiving naar (samenwerkende) gemeenten zal veel onrust geven. Gaat elke gemeente zelf aan de gang, komen er samenwerkingsverbanden of trekken de grote steden het naar zich toe.  Het is belangrijk dat de vraag wie het gaat doen niet centraal staat. De vraag moet zijn op welke wijze kunnen wij het beter doen.

De verschuiving van de jeugdzorg naar de gemeente zal echter ook nieuwe mogelijkheden bieden. De ervaringen met de Wmo zijn positief en bieden zeker een goed referentiekader voor de veranderingen in de jeugdzorg.

De implementatie van de Q4C staat hier gelukkig helemaal los van. De  kwaliteitsslag kan nu al gemaakt worden, ongeacht wie de regie voert. Gelet op alle veranderingen die er op u afkomen, lijkt me een snelle invoering van deze kwaliteitseisen goed voor alle betrokkenen in de jeugdzorg.

Laten we er samen voor zorgen dat een verdrag over kwaliteitseisen echt een bevestiging en sluitstuk is van iets wat al jaren de norm is in de dagelijkse praktijk van de jeugdzorg.

Laatst gewijzigd op 22 november 2018