Steun ons en help Nederland vooruit

Cyprus; een eiland is alleen

Verhaal van Roeland Schweitzer, aangevuld met tekst van Katri Schweitzer, in cursief.

Zo ver weg, zo dicht bij. Ruim vier uur vliegen, bijvoorbeeld. Vlakbij Libanon en vijftig kilometer van Turkije ook. Cyprus is Engeland, zoals oudere Engelsen zich herinneren uit de jaren zestig van de vorige eeuw, Zuid Cyprus. Vredig, veilig. Verdeeld, gescheiden. Noord Cyprus, momenteel als een Turkse provincie.

Zuid Cyprus, een economisch mirakel, dankzij een toeristenexplosie. Iedere stap die je zet is op oude grond, duizenden jaren oude steden, prachtige baaien, prachtige bergen. Grieks, Romeins, Byzantijns, Venetiaans, Genuaans, Brits, Turks.

Daar tussendoor de Cyprioten, een gastvrij volk dat al die eeuwen bezetters ziet komen en gaan.

Turks islamitisch naast en tegenover Grieks orthodox. Honderden kerkjes vol fresco’s, negen ervan behorend tot het werelderfgoed, beschermd door de Unesco. Opgegraven Romeinse steden, grotten uit de vroege bronstijd, kastelen van de kruisridders. Oude haventjes, veilige beschutting voor de winterstormen. Heel soms een minaret.

Wij waren er twee weken, in december, hadden geluk, vlak voor de winter inviel.

Auto gehuurd, rondgetrokken, vaak de enige hotelgasten.

KLM partner Cyprus Airways vertrekt ‘s ochtend naar Amsterdam en vliegt ’s middags terug. We kwamen in het donker aan, de huurauto stond klaar. Links rijden naar een hotel in Paphos. Aan het hotel was kraak nog smaak,  maar vriendelijk. We leerden een nieuw systeem waarbij je de koperen sleutelplaat als contact voor de stroom in je kamer gebruikt. Niet eerder gezien. De volgende ochtend Engelse bejaarden in de ontbijtzaal.

Vanochtend zochten we keien langs de branding. Prachtige stenen als ze nat zijn, maar door de kalk en het zout afgedekt met een grijze huid als ze zijn opgedroogd, als betoverde prinsen die overdag een ezelshuid aantrekken. Louise mag er ééntje, of meer, uitzoeken.

De eerste vakantiedag, haventje, oud fort, zon, leren kaart lezen, beetje wandelen en verdwalen, oeroude grotstad ruïnes bezocht en de eerste van nog vele Byzantijnse kerken, voorheen een christelijk kerkje, nog eerder een Romeinse tempel, twaalf keer verbouwd na aardbeving, afbranding of verwoesting door binnendringende vernielzuchtigen. Mooie plek. Even later een ander enorm terrein met opgravingen van Romeinse huizen, een amfitheater en vooral veel halve en hele zuilen. Beroemde mozaïeken in de tegelvloeren, en een onverstaanbare gids. We weten nog weinig van het eiland, de geschiedenis, het klimaat, de natuur. Nu is het heerlijk warm, Ka koopt een zonnehoed, overal verrukkelijke mandarijnen.

We bezochten één van de oudste kerken van het eiland. Bijna onvindbaar verscholen, gehavend en half in de grond. Kleine gewelven, prachtige iconen, een grote intimiteit. Indrukwekkend is dit grote geloof van het jonge, vergeestelijkte Christendom. Met al laag zonlicht rijden we naar Polis.

Politie met laserpistool, hoe hard mag je hier? 80 Mijlen of 80 kilometer per uur? En wat doen ze met een bekeuring aan een huurauto? Polis valt tegen of missen we de clou? Onze tocht naar de Akamas is mooi, ruig land. We kopen wijn, brood en bananen bij een ezelkwekerij op een bergtop.

Het meisje had een ezelbaby van zes weken met een fluweelzachte pikzwarte vacht. Het dier volgde haar overal en probeerde stoelen en plastic zakken op te eten, gooide de melk om, nou ja, was voortdurend stout. In het café brandde een open vuur en de baas in camouflagepak belde mobiel. Door de donkere nacht reden we terug. De stad schitterde met duizend lichtjes ver weg tussen de bergen.

Nu begint het avontuur pas echt. Het Troodos gebergte in. Hoe goed is de kaart, hoe goed zijn de wegen? Valt reuze mee allemaal. Steil klimmen, prachtige kleuren, betoverende vergezichten. Veel four wheel drives met locals in camouflagepak. Achterin twee honden, oogjes die ons aankijken.Vogeljagers. Veel kale vlakten. Ooit was Cyprus volledig bebost met ceders en pijnbomen.

Tourist Tree Tax

Ka bedenkt dat toeristen belasting voor een boom moeten betalen. De Tourist Tree Tax is uitgevonden. Iedere toerist betaalt bij aankomst op het vliegveld pakweg 10 eurodollar tree tax. Goed te controleren door de reisagenten. Twee miljoen toeristen, op Cyprus, is twintig miljoen dollar per jaar voor bomen, aanplant, onderhoud, natuurbeheer. Misschien het antwoord om de woestijn terug te drijven. Cyprus is voor een aanzienlijk deel ook wel mooi kaal.  Maar het hoort bebost en dat is veel beter voor het klimaat, voor de dieren, voor de mensen. Toeristen raken zo betrokken bij. Een kwestie van twintig, dertig jaar volhouden. Wereldwijd. Kan opgepakt worden, door toeristenorganisaties, reisbureaus, overheden, natuurclubs en de VN. Leidt tot een enorme stimulans voor ministeries, voor boswachterijen, voor boomkwekerijen,  voor water infrastructuur, want de jonge boompjes moeten in het begin wel geholpen worden. En er is structureel geld, want toerisme vormt een van de grootste markten ter wereld. Het levert eenvoudig en goed werk op en het geld blijft niet allemaal in de toeristenbranche hangen. We besluiten ons in te gaan zetten om de Tourist Tree Tax wereldwjd ingevoerd te gaan krijgen.

Troodos

We eten in Prodomos, een splitsing in een bergweg, heel koud daar, strandkleren worden warme truien. De restauranthouder ziet geen oplossing voor het Cyprus probleem en geeft de Amerikanen de schuld. Ze zouden de Turken napalm geleverd hebben om in 1974 de Grieks Cyprioten te bestrijden..

We rijden door naar een oeroud kerkje naast een waterval. Een kleine oude man is, ongevraagd, onze gids. Hij wijst op een unieke afbeelding van Maria die Jezus de borst geeft. Met gebaren onderwijst hij, de ingewijdene, ons, de heidenen, in de diepe betekenis van de geschilderde verhalen. De binnenkant van het kerkje is een geheime schatkamer, geen centimeter zonder een gloedvolle en kleurrijke afbeelding.

Hellas heet ons hotel in Kakopetria. De rest van de hotels is dicht en we zijn de enige gasten. Prachtig dorpje, aan het eind van een vallei met achter ons steile bergen en voor ons oneindig ver zicht. De naam Hellas is twijfelachtig, weten we nu, geassocieerd met Grieks Cyprioten die indertijd Grivas steunden, de Grieks Cyprioot die met steun van Griekse kolonels een terreurcampagne met bommen tegen aartsbisschop Makarios begon met als doel opheffing van Cyprus als federale staat en aansluiting bij Griekenland. De Turken reageerden met een invasieleger en een bezetting. Tweeduizend doden plus tweeduizend vermisten, twee weken oorlog. 1974.

We hebben in het dorpje brood, kaas, water en nog iets raars gekocht. Een enge, donkerbruine, gebobbelde en uitgerekte oudemannenlul. Hij werd bij de kassa in wc-papier verpakt, dat er aldoor aanvast blijft kleven tijdens het opeten. Toch tamelijk lekker, vooral de nasmaak. Er zitten amandelen in verstopt. We wandelden langs de andere kant van het snelstromende riviertje door een middeleeuwse wijk. We kwamen in de uitdragerij van een gepensioneerde Engelsman die oude Jazzplaten draaide en een groot, gezellig vuur had in de open haard. Een paar minuten voordat er noodweer losbarstte waren we weer in het hotel en we zetten de balkondeur open. Buiten werd het gitzwart met een warme storm, onweer, bliksem en regen. Roeland slaapt.

Links rijden, ook de derde dag

We rijden naar Nicosia via een omweg want we willen een beroemd kerkje van een vroeger klooster zien, werelderfgoed. Goed te vinden, prachtige bergweg, indrukwekkende uitzichten. Drie mannen zijn er bezig met restauratiewerk, bouwlampen maken het zicht perfect. Wat een kleuren. De kunstenaars schilderenden hun fresco’s in de natte pleister. Ze maakten iedere dag zoveel aan als ze ook konden beschilderen. Deze manier leidt tot een veel betere houdbaarheid dan schilderen op droge pleister. Uitleg leert ons dat er drie schilders gewerkt hebben. Drie verschillende stijlen, ik zie de verschillen niet, barbaar die ik ben.

Het kerkje was verstopt in een schuur, eerst reden we eraan voorbij. Het is merkwaardig, terwijl de mensen diep religieus zijn, is hun godsdienst bijna onzichtbaar. Zelden een kruis langs de weg, geen dominante kathedralen op de hoogste plekken in het landschap. Het geloof is een kostbaar geheim. De buitenkant van het kerkje, maar binnenin de schuur, was ook vol geschilderd met heiligen. De Turken hadden alle ogen weggekrast. Gruwelijk.

We kiezen een ongeasfalteerde weg, omdat we zo een doorsteek kunnen maken. Mag niet van de autoverhuurder. Blijkt ook tamelijk link, smal, stijl, grote stenen en regelmatig de keuze omhoog of omlaag, links of rechts. De kaart geeft geen oplossing. Een keer moeten we achteruit terug. Uiteindelijk zien we ver beneden ons een auto rijden, daar moeten we heen. Met kloppend hart draai ik een half uurtje later een asfalt weg op. En vergeet dat ik links moet rijden. Bij de eerste tegenligger weet ik geen andere reactie dan rechts de berm in duiken.

Geschrokken rijden we verder, maar mooi was de weg wel.

De laagvlakte waar Nicosia in ligt is rommelig en saai. Afstanden zijn klein op Cyprus, een uurtje later rijden we langs het UN vliegveld van Nicosia.

De “Green Line” die het eiland verdeelt verschijnt links in beeld. Voor ons op de kale berghelling is een immens grote Turkse vlag geschilderd. Nicosia maakt de indruk van een grote provinciestad, al snel rijden we het Venetiaanse bastion van de oude binnenstad binnen. Het reisbureau heeft een chique hotel uitgezocht met uitzicht op de brandweer.

Studeren, studeren

We beklimmen het hoge Woolworthgebouw middenin in het winkelgebiedje van Nicosia met uitzicht op het bezette deel. Een exposé over de geschiedenis van Nicosia eindigt in een schokkend verhaal over de korte maar felle strijd in 1974.

We hebben een brok in onze keel. ‘Waar zijn onze zonen’ roepen de moeders in het zwart. We kopen twee studieboeken. Over de 600 oude kerken op het eiland, met zorgvuldige beschrijvingen, en een dagboek van een Ier die drie jaar over het eiland heeft rondgetrokken en al zijn waarnemingen met humor en vol dwarsverbanden heeft uitgewerkt. We beginnen te lezen en te lezen. Over de vaste opbouw van de schilderingen in de kerken, over de ontwikkelingen in de loop der eeuwen. Over de bouwtechnieken. Over de gebeurtenissen voorafgaand aan de Turkse invasie.

De Turks’ Cypriotische minderheid had het duidelijk niet makkelijk, bijvoorbeeld.

Nu wonen ze in het noorden, 200.000 mensen aangevuld met misschien wel 100.000 boerenjongens uit Anatolië, het Turkse platteland. We zagen ze later lopen in Noord Nicosia, geen woord Engels en zo te zien ook niet veel om handen. In het zuiden vrezen ze deze massa, want het zijn geen Cyprioten.

We bezoeken het prachtige Byzantijnse museum met een schat aan de mooiste iconen. St Mamas op een leeuw, St George met speer en draak, Johannes de Doper met wilde haren, een enkele keer St Anna, de moeder van Maria, langzaam leren we de beelden herkennen.

Veel iconen van Sint Mamas. Hij rijdt op een leeuw en draagt een lam in zijn armen. Ooit landde een houten kist met zijn botten op de kust van Cyprus. Men droeg de kist die steeds zwaarder werd en tenslotte te zwaar. Op die plek werd een kerk voor Sint Mamas gebouwd. Een Christen uit Libanon. Hij werd in de gevangenis geboren, zijn ouders zaten daar opgesloten omdat ze Christenen waren. Als jongeling was Sint Mamas schatplichtig aan de Libanese koning, hoewel hij niets bezat. Eigenlijk was hij dus een slaaf. Hij ging op weg naar de koning en zag een leeuw die een lam wilde vermoorden. Hij zorgde dat de leeuw daarmee stopte, nam het lam en reed op de leeuw naar de koning om hem het lam te geven. Deze was zo onder de indruk dat Sint Mamas weer mocht gaan. Als vrij man en het lam mocht hij houden. Op zijn achttiende is hij toch nog gedood om zijn geloof. Het verhaal is doorweekt met het eeuwenoude Cypriotische verlangen naar vrede 

Een zaal verderop een expositie over de Turkse vernielingen in de kerken.

Opeens foto’s van dit museum tijdens gevechten met granaatinslagen en militairen. 1974, op deze plek.

We lopen langs de ”Green Line”. Straten die halverwege eindigen in een barricade, dichtgemetselde huizen met een VN post of Griekse soldaten. Aan de andere kant een niemandsland met vervallen gebouwen, soms hele gebieden afgezet met prikkeldraad en wachttorens. No go area, verboden te fotograferen. We zijn ontdaan. We kennen het nog van Oost Berlijn voor de Wende. Hier is het kleinschaliger, maar ook meer complex. In Duitsland was het één volk met één godsdienst. Hier zijn het misschien echt twee volken, in ieder geval twee culturen met twee godsdiensten.

Toeristen tijd

We rijden naar Larnaka, over de snelweg. Intussen begint de Euro top in Kopenhagen. Kofi Anan presenteert een verbeterd plan, aanvaardbaar voor de Grieks Cyprioten. ‘Cyprus’ heeft het EU lidmaatschap aangevraagd. De Turken koppelen een oplossing van de Cyprus kwestie aan een begindatum van besprekingen over hun lidmaatschap. Giscard d’Estaing vindt de toetreding van Turkije onzin, 95% van Turkije ligt niet in Europa. Waar eindigt Europa eigenlijk? Niet op Zuid Cyprus dat ruimschoots aan de EU normen voldoet en waar eeuwen Europese invloeden zichtbaar en voelbaar zijn. We krijgen bijvoorbeeld altijd een Engels ontbijt inclusief bonen en een wolkje melk in de thee.

De Turks Cypriotische leider Denktash is tegen de VN oplossing. De voormalige terrorist is nota bene ooit door de Grieks Cyprioten als drenkeling uit zee gevist na een mislukte illegale oversteek van Turkije naar Cyprus. Hij  is niet naar Kopenhagen gekomen en roept vanuit een ziekenhuis dat hij niet tekent. Lastig voor de Turken, die nu geen troef hebben. Plezierig voor hun tegenstanders die ammunitie krijgen voor uitstel van de toelatingsgesprekken van Turkije.

Langzamerhand begint ons op te vallen dat het hotelpersoneel uit Polen, Roemenië, Moldavië, Rusland of Bulgarije komt. Of uit het noordelijk deel. Grieks Cyprioten die gevlucht zijn. In Larnaka staat de Turkse wijk half leeg, voor een deel ‘tijdelijk’, al bijna dertig jaar, gevuld met vluchtelingen. Sommige wachten, anderen zijn hotelmanager geworden. Omdat de Grieks Cyprioten de bezetting als een tijdelijke zaak zien, zijn de huizen van de Turks Cyprioten onaangeroerd gelaten. Bevroren in 1974, inclusief auto’s bijvoorbeeld.

We zijn de enige gasten in het grote hotel. De manager is een vluchteling uit Famagusta. Hij vertelt hoe hij als jongetje is gevlucht in 1974, samen met zijn broertje, tussen de tanks door de stad uit. Ongeveer honderd mensen zaten daar nog in de kelder van de supermarkt van zijn vader. De Turken gooiden er een bom op. Toch is hij positief over de verdragen die in Kopenhagen moeten worden gesloten. “We hebben geen keus”, zegt hij. “Geen toekomst als verdeeld land. Onze president (Clerides) is een oude man, als hij tekent zullen veel mensen hem een verrader noemen, misschien wordt hij zelfs gedood. Hij is de enige die zal durven te tekenen, omdat hij toch al oud is en het beste wil voor dit land. Het grote probleem voor de toekomst zijn de 100.000 barbaren die de Turken naar Noord Cyprus hebben gedeporteerd. Ze kunnen niets en hebben ook niets opgebouwd. De Turks Cyprioten willen ook dat deze groep weer vertrekt. Wij willen samenleven met de Turks Cyprioten, we hebben samen dit land”. Hij vertelde dat er tijdens de oorlog 2000 Grieks Cyprioten zijn gedood door het Turkse leger, maar dat ze veel meer slachtoffers hadden kunnen maken als ze daarop uit geweest waren.

Het VN plan blijkt tamelijk ingewikkeld, en voorziet in een geleidelijke terugkeer van zo’n 200.000 vluchtelingen, mits de verhoudingen niet verstoord worden en in de loop van 20 jaar. Solana zegt dat een oplossing niet waarschijnlijk is, Cyprus wacht af, we eten een onvoorstelbare Fish Meze, een uitgebreide vismaaltijd. Wel zijn de visjes veel te klein, ook hier is de zee goeddeels leeggevist, inktvis in vier smaken. Feest.

We zien flamingo’s in het zoutmeer en vermijden het Stavrovouni mannenklooster, niet toegankelijk voor toeristen, maar wel sensationeel op een hoge bergtop. We raken verwend, de moskee van de tante van de profeet die in Larnaka haar nek brak slaan we over. We kopen een twee meter hoge kaars bij de kaarsenmaker van de St Lazaruskathedraal waarin eens de apostel Paulus sprak. De kaars slepen we het hele eiland over.

We belanden op de krijtrotsen van Governor’s Beach. Mooi plekje dacht de Engelse gouverneur indertijd ook al. Heerlijk gezwommen. In dit gebied blijken gele niet geasfalteerde wegen wel degelijk geasfalteerd en langs militaire basissen te gaan. We zien soldaten in de zee roeien. “Heiho, heiho” klinkt het ver over het water, ze rennen met hun rubberboot snel de steile kust op en van ver wordt geschoten, met “losse flodders”, fonteinen spatten in de zee.

Limassol is 15 kilometer boulevard met hotels. Er overwinteren Britten en Finnen. Wel prachtig om te zien, zo’n winterkolonie die er in is geslaagd een internationale balans tussen inkomsten en uitgaven te realiseren. Velen trekken op en neer tussen hier en Spanje of Portugal, ze maken uitstapjes naar Libanon, Israël of Egypte (Limassol heeft een flinke haven met veerverbindingen) en ze wonen goed verzorgd en comfortabel in niet eens zo dure hotels. ‘Wij maken ons geld op een leuke manier op, anders moeten we het inleveren als we de verzorgingsflat in moeten.’  De grappen over Blair (Phoney Tony) doen het goed hier aan het zwembad.

Paradijs

Uit het boekje van de Ier heb ik een kunstenaarskolonie gehaald, een prachtig piepklein dorpje met een paar buitenlandse kunstenaars, waar onder Michel Owen met de status van ‘artist of war’. Hij heeft grote aquarellen over de”Green Line”, de neergeschoten vliegtuigen en andere stukken oorlog. Een officiële opdracht.

De man woont er al dertig jaar en inmiddels hebben wat anderen zich hier ook gevestigd. Via een prachtige bergweg terug naar zee, naar Pissouri.

De zon stond al laag toen we via mooie kronkelwegen aankwamen bij deze sprookjesachtig mooie baai. We vroegen ergens om “bed & breakfast” en een aardige vrouw bracht ons naar dit appartement. We kijken uit over de zee en op de bergen. We hebben een groot terras en een eigen keukentje. Nu zit ik op een stoel in de nis van een leeg hotel aan het strand. Het stormt en ik heb zoveel mooie stenen gevonden, dat ik hier en daar een verzameling moest achterlaten. Roeland is naar de meest beroemde opgraving van het eiland.

In de bijzondere archeologische site Kourion vind ik in een akkertje buiten de sensationele opgravingen in korte tijd vijf, zes potscherven. Kourion was een grote stad, met aan het begin van onze jaartelling zo’n twintigduizend inwoners. Een grote aardbeving in 365 heeft de stad totaal verwoest. Een deel is herbouwd en in gebruik gebleven tot invallen van de Arabieren in de 7de eeuw. De ingestorte stad is inmiddels voor een deel opgegraven. Het sensationele is dat je door de oude stad heen kunt lopen en als het ware wordt teruggezogen in de tijd. Er zijn huizen, badhuizen, tempels, het marktplein, het theater, twee latere basilieken en onder meer het stadion, waar internationale sportwedstrijden werden gehouden door naakte mannen en vrouwen, aldus de apostel Paulus, die zich hierover beklaagt. Opvallend is niet alleen de complexiteit van de stad, de waterleiding en de ventilatiesystemen onder de vloeren, maar vooral de dichtheid. De compacte stad bestond  toen al. Privacy leek me een schaars goed. Honderden nauw met elkaar verbonden kamertjes, huisjes. Het gehele complex is kilometers groot. Cyprus is één groot archeologisch archief. Cyprus betekent koper. Ook dat vinden we terug in de stenen op het strand.

We zijn naar de punt van de baai gelopen. Ik zit met blote benen in de zon. Hier ratelen de stenen in de golfslag. De zee is diep blauwgroen.
Gisteren zijn we in de regen naar het klooster van de Neóphytos gereden. Het werd gesticht door een kluizenaar die zichzelf had leren schrijven. Hij schreef, dichtte en componeerde heel veel, hakte voor zichzelf een plek in de rotswand en hij werd beroemd. Eens in de week verliet hij zijn cel om les te geven. Ondertussen werd door zijn leerlingen en bewonderaars het klooster gebouwd. Hoog tegen een berg, aan de bron van een rivier, het einde van een diepe vallei. Er waren veel vogels. Ik weet zeker dat ik er in ongeveer 1500 als een jonge monnik ook ben geweest. Het was een gevoel van diepe herkenning.
Daarna zochten we via een geitenpad naar “Aphrodites bad”.
Het werd schemerig en de weg kronkelde maar verder. Soms stond het woord “BATH” met de kleur van opgedroogd bloed op een steen geschilderd.
Een aanmoediging om door te rijden. In het donker draaiden we om, naar “huis”. Roeland wilde nog een weg in aan de andere kant van de baai van Pissouri. Hij verwachtte dat er “iets” zou zijn. Kilometers verder stond  aan het water een restaurant zonder bezoekers, maar het was wel open. We dronken er Cypriotische koffie en de baas vertelde zijn verhaal. Hij woonde al bijna dertig jaar op deze plek. Dan weet je al dat hij een vluchteling uit het noorden is. Hij vluchtte met zijn vrouw, drie kinderen en zijn moeder uit Kyrenia, zijn grootmoeder bleef achter. Ze was nog in het huis toen de Turken binnen kwamen. Ze was blind en de soldaten sloegen haar met hun geweerkolven in het gezicht. Ze is naar het ziekenhuis gebracht. De man had het geluk dat hij iemand kende die iemand kende en zo kreeg hij werk in de kantine van de Engelse basis, hier vlakbij.
Al gauw kon hij voor heel weinig geld de exploitatie van dit restaurant kopen. De Turks Cypriotische eigenaar was gevlucht. De man uit Kyrenia ziet zichzelf als de beheerder, eens zal de eigenaar terug komen en dan vertrekt de vluchteling naar huis. De plek waar hij al die jaren niet mocht komen. “Alle toeristen kunnen er gaan kijken”, zegt hij, “maar wij, die daar ons thuis hebben, weten niets meer over die plek”. Hij hoestte, het was duidelijk, daar wilde hij sterven, al zou hij lopend terug moeten gaan.

Het ging regenen en het werd ijskoud. Onze bed & breakfast heeft geen kachel. Gelukkig kunnen we de volgende ochtend op het strand van stenen en rotsen en zon genieten. Daarna rijden we weer de bergen in, we willen naar het Kykkos klooster, het grootste en succesvolste klooster met bezit in talrijke bedrijven.
Ze bewaren daar een splinter van het kruis van Christus, gekregen van St Helena. De reis lukt niet, we belanden in  dichte mist en vinden vlak voor donker een soort van Edelweiss hotel met de naam “Mountain Rose” in Pedoulas. We willen buiten het dorp eten In een merkwaardige kroeg maar vertrekken weer omdat de baas ons bij de eerste bestelling al bedondert. Ka vindt dat ik niet drie keer hoef te buigen en “Thank you” mag ik ook niet zeggen, ach het was de man zijn enige verdienste die dag.

We liepen in het donker terug naar het dorp. In de vallei hing witte mist, nog onder een paar verlichte huizen en een witte kerk. We stonden even stil om ernaar te kijken en binnen twee minuten was de mist omhoog getrokken.
Niets meer te zien van de bewoonde wereld, opgeslokt door de nevel, alsof het maar een sprookje was geweest. De bergdorpen zijn romantisch, maar bijna uitgestorven. Er is geen middel van bestaan, behalve de toeristenindustrie, handeltjes in hout, kruiden en ingemaakte paddestoelen. Er zijn geen jonge mensen, de schooltjes zijn dicht.

In de “Mountain Rose” eet ook de pope. We studeren verder. Een oeroud moedertje laat ons de volgende ochtend een prachtig kerkje van de aartsengel Michael zien met een enorm groot portret van deze engel op de muur, in een harnas en met zwaard. Daarna rijden we verder omhoog naar het Kykkos imperium. Ooit waren er 400 monniken, maar nu nog 25.

Een lelijk, zwaar, groot gebouwen complex, eind negentiende eeuw opgezet. Slimme marketing van een icoon die Lucas zou hebben geschilderd voor Maria. Er hangt een geborduurde lap voor, gewone mensen mogen niet kijken, maar ze komen toch, met busladingen. Ze kijken naar al het goud in de kerk. We vinden de entree voor het museum te duur, een kopje instantkoffie in de grote kantine kost al zes gulden. Daar zit om half elf ’s ochtends een monnik bij de open haard.
Hij speelt wat verveeld met de afstandsbediening van een enorme TV.
De monniken zijn heel rijk, ze bezitten de meeste brouwerijen van Cyprus, hebben enorme landerijen en verplaatsen zich in zware terreinwagens. Volgens Roeland is “het leren omgaan met aardse goederen” heel belangrijk voor de geestelijke ontwikkeling van kloosterlingen.

Over de “Green Line”

Het goedkope stadshotel in het oude centrum van Nicosia lijkt uit een treurig boek te zijn over gebleven. Verlopen Russische receptioniste, onduidelijke buitenlandse dames die doelloos kijken. Onze kamer ruikt bedompt, maar we zetten de balkondeuren open en dat helpt. Het balkon is ongeveer zo breed als een ruime dakgoot, toch past er nog een stoel op en dan kijk je uit over een straatje met de sfeer van Mont Martre in Parijs. Vanmiddag zijn we naar de grenspost gelopen om te vragen of we er morgen wel door mogen. Er zijn in Noord Nicosia grote demonstraties tegen Denktash.

Niets kopen in het noordelijk deel, zeggen ze, en om vijf uur terug. Prikkeldraadrollen, een wandeling door niemandsland langs het Ledra Palace Hotel, nu het VN hoofdkwartier, na een paar honderd meter de Turkse grenspost.

Het visum blijkt gratis. Een Engels echtpaar dat in het noordelijk deel woont brengt ons naar het busstation, want een huurauto mag niet mee. Deze Britten kunnen nooit in het Griekse deel komen, want ze hebben Turkse stempels in hun paspoort. Buskaartjes naar Girne gekocht, Kyrenia. Verwarrend, Turkse plaatsnamen in plaats van de Griekse op onze kaart. Men is hier duidelijk armer, maar de middeleeuwse haven van Kyrenia is inderdaad een plaatje. Een klein hoefvormig geheel met boten, afgegrendeld door een imposant slot van waaruit men met een ketting de haven af kon sluiten. We lunchen op de tweede etage van een restaurant met prachtig uitzicht. Rekensommen tussen guldens, euro’s, Cypriotische ponden en de in miljoenen Turkse lira’s rekenende Turken mislukken. Dan regel ik een taxirit voor 15 CP naar St Hilarion. De chauffeur in een prachtige gele Mercedes blijkt Bulgaar en spreekt aanzienlijk minder Engels dan ik inschatte. St Hilarion bestaat uit twee grote vervallen kasteelcomplexen van onder meer de Kruisridders op zo’n 750 meter hoogte, gebouwd op een vrijwel onbegaanbaar steile rotspartij. Eeuwen aan gewerkt, al veel eerder, zo blijkt.

Een sensatie. Het gaat intussen regenen, de stenen trappen worden spekglad.

We liepen door de resten van zalen, stallen, koningskamers en soldaten-verblijven en ik begreep nu hoe koning Arthur leefde met zijn ridders van de Ronde Tafel.

Terug naar Lefkosia, zoals de Cyprioten Nicosia noemen.

In de stromende regen lopen we naar de grens, vrijwel niemand weet de weg, het wordt al donker. In een straatje achteraf zien we opeens een VN vlag wapperen. Met toch een soort van opluchting lopen we langs de Turkse controle, bij de volgende post werden onze namen afgevinkt, maar ook de Grieks Cyprioten wilden onze lege rugzakken niet zien. Ka brengt wat noordelijke informatie naar de Vredeswinkel annex voorlichtingscentrum, ik koop de volgende dag twee handgemaakte stoeltjes voor onze kinderen. Opvallend trouwens hoeveel kleine timmerbedrijfjes en hoogbejaarde kleermakers er zijn tussen de vervallen leegstaande panden in. Gauw terug naar Pissouri om nog even een dag rust en zee te genieten.

De zee is “veridian” groen. Ik zit op een rots die is gevormd uit schelpen en visjes. De golven spatten ritmisch als muren van schuim. We hebben ons geld geteld en gaan nog eens lekker eten.

Weer regent het, de winter is eindelijk gekomen, zeggen de Cyprioten.

Een sensationele volle maan met bliksem en slagregens en storm en een stralend grote ster in het oosten. Prachtig land, extreem veilig, aardige mensen, lekkere keuken, de EU gaat er op vooruit. Maar wilt u alstublieft eerst het Cyprus probleem oplossen. Dit verscheurde eiland verdient duizendmaal beter.

Op Schiphol laat ik in een moment van onachtzaamheid de kaars in vier stukken vallen.

Roeland & Katri, 29 december 2002

 

Laatst gewijzigd op 22 november 2018